programma

Woensdag 10 januari 2018

ALBERTO FERRO PIANO

De Italiaanse pianist Alberto Ferro heeft al een behoorlijke staat van dienst, ondanks het feit dat hij pas in 1996 ter wereld kwam. Zo speelde hij al in het Concertgebouw Brugge, het Gewandhaus in Leipzig en vele andere prominente zalen in heel Europa. Ook heeft hij al met verschillende orkesten samengewerkt, waaronder het Aarhus Symphony Orchestra en het nationaal orkest van België. Dat laatste gebeurde overigens in de finale van de Koningin Elisabethwedstrijd in 2016, een van de belangrijkste muziekwedstrijden in de wereld, waar Alberto Ferro zowel een zesde prijs als de publieksprijs in de wacht sleepte.

In de Piano Sonate in F op. 10 no. 2 laat Beethoven zien hoeveel hij van zijn leermeester Haydn geleerd heeft: hij zet de luisteraar voortdurend op het verkeerde been en neemt een loopje met de conventies van de sonate. Maar waar Beethoven Haydn bij wijze van grap nadoet, baseert Schumann zijn Kreisleriana op een fictief personage, de excentrieke dirigent Johannes Kreisler, een geesteskind van de schrijver E.T.A. Hoffmann. De acht stukken waaruit Kreisleriana bestaat beelden het karakter van Kreisler uit, dat afwisselend wild en mild is.

In tegenstelling tot de werken voor de pauze, die allebei aan iets refereren buiten de muziek zelf, staan de werken van Chopin grotendeels op zichzelf en blijven impliciet. De Barcarolle op. 60 is een soort Venetiaans gondellied dat langzaam voortkabbelt en waar het voor de luisteraar niet moeilijk is om zich kalm dobberend op een kanaal te wanen. De Vierde Ballade verbreekt deze illusie echter volledig. Het is de virtuoze vertelling van een verhaal dat iedereen zelf mag invullen: hoewel de naam ballade een programma doet vermoeden zijn er geen duidelijke aanwijzingen wat Chopin precies in gedachte had.

De Tweede Sonate van Chopin heeft inmiddels een buitenmuzikale betekenis gekregen die niet meer van het stuk los te denken valt: de begrafenismars uit het derde deel is misschien wel het bekendste stuk dat Chopin ooit schreef. De andere drie delen doen er echter niet voor onder: het eerste deel is een strijd tussen een onrustig eerste gedeelte en een veel lyrischer tweede gedeelte, waar het laatste uiteindelijk de overhand krijgt. Het tweede deel is een vurig scherzo waarvan het middengedeelte ook best in een van Chopins nocturnes voor had kunnen komen. Het laatste deel is een naar verhouding zeer kort deel dat door Arthur Rubinstein beschreven werd als ‘De wind die om de grafstenen waait.

    Programma:

  • Beethoven Sonate in F op. 10 n. 2
  • Schumann Kreisleriana op. 16
  • Chopin Op. 60, op. 52 en op. 35