Atos Trio

Dinsdag 2 december 2014

CONCERTGEBOUW KAMERORKEST AMSTERDAM & AMIHAI GROSZ

Dit concert heeft mij in verwarring achtergelaten. Maar dat lag zeker niet aan het ensemble.

Het Concertgebouw Kamerorkest is een prachtig ensemble. Ze spelen staand, solistisch, met de muziek mee. De klank is homogeen, mooi vol , maar ook zeer wendbaar en flexibel. Tenslotte hebben ze een grote speeldiscipline: ze kennen elkaar door en door en dat hoor je qua onderlinge afstemming en maatvoering. Kortom: een klein groot Concertgebouworkest.

De verwarring lag meer in het genre kamermuziek dat hier gebracht werd. Het strijkorkest is een moeilijke ensemblevorm. Groter dan het strijkkwartet, kleiner dan het symfonieorkest. Betrekkelijk homogeen van klankkleur en samenstelling. Het repertoire voor strijkorkest is ook niet zeer omvangrijk. Er zijn enkele niet te missen standaardwerken, maar er zijn ook vele bewerkingen, zoals we ook vanavond te horen kregen. Voor ieder werk geldt uiteraard dat het strijkorkest moet staan voor de eigenheid van klank en expressiemogelijkheden. Maar voor bewerkingen geldt bovendien de vraag of deze iets toevoegen, een dimensie extra geven aan het oorspronkelijke stuk.

In de programmaopbouw kwamen beide typen naar voren. Begonnen werd met Mendelsohn de strijkerssymfonie nr 10. Ongelofelijk dat dit op 14 jarige leeftijd werd gecomponeerd door deze ras-muzikant. Virtuoos, welluidend, romantisch en zeer toegankelijk. Het werd fris, licht en lenig gespeeld ook. Dit was een overtuigend argument vóór het strijkorkest als "instrument".

Daarna kwam de bewerking van de Arpeggione-sonate van Schubert (overigens: waarom werden de namen van de bewerkers niet vermeld?). Hier begon de verwarring al bij de inzet. De Arpeggione is eigenlijk een heel intiem stuk: kleine bezetting, klein volume, veel warmte, echte kamermuziek. Dit klonk heel anders. De uitvoering door strijkorkest en solist veranderde het karakter van het stuk totaal. In plaats van een sonate voor alt en piano klonk hier een concertant stuk voor altviool en orkestbegeleiding à la de romances zoals ook Beethoven ze geschreven heeft. Wel in een schitterende uitvoering. Grosz is een formidabel solist met een schitterend instrument. Technisch is het uiteraard perfect, en mij trof zijn muzikale oprechtheid, speciaal ook in de toegift van Bach. Hij speelt recht op de man af, zonder omhaal, zonder valse allure. Prachtig!

Dvorak's Nocturne in B was een voltreffer. Prachtige, verstilde, Wagneriaans-aandoende inzet, overgaand in een verhalend middendeel en lyrisch eindigend in een hangende noot: het stuk eindigt hier, maar de muziek niet. Dit was hoorbaar geschreven voor strijkorkest en werd hoorbaar met grote intensiteit en liefde gebracht. Voor mij een eye-opener!

Tenslotte Brahms, het strijkkwartet opus 51/2. Als strijkkwartet echt Brahms : lange lijnen, episch, veel ruimte voor de verschillende partijen. In een uitvoering door een strijkorkest gaat de individuele inbreng van de afzonderlijke muzikanten uiteraard verloren. De klank wordt wat gedempter, passies en pathetiek worden collectiever. Maar in deze uitvoering bleef Brahms duidelijk herkenbaar. Sommige delen zoals het andante riepen zelfs associaties op met het symfonisch werk van Brahms. In de onstuimige, opgewekte en in het slotdeel zelfs zigeunerachtige speelvreugde kon je hier een optimistische Brahms horen. Maar helemaal "bekeerd" was ik niet door deze bewerking. Wat bleef was de verwarring.

Gery van Veldhoven