Ehnes String Quartet

Zaterdag 8 februari 2014

EHNES STRING QUARTET

“Een fijne voorstelling”, zegt het meisje, aan wie ik mijn ticket laat zien. Dat geeft me te denken, want ik wil de muziek, als het lukt, bij mezelf verinnerlijken. Hoeveel wil ik kijken naar de uitvoerende musici? Bij een jong ensemble – op Europese tour in Birmingham, Oxford, Londen, Tilburg en Parijs - met hetzelfde concertprogramma, valt er inderdaad wat te ‘zien’ : wat een waarneembare afstemming van de musici op elkaar, om tot een gezamenlijk geluid te komen en om elkaar individueel de kans te geven de boventoon te voeren, als de componist dat al of niet uitdrukkelijk heeft aangegeven. Fris en energiek, geen spoor van routineus spelen. 'Een fijne voorstelling’ kan ook verwijzen naar onze ervaring dat bij bepaalde delen van het strijkkwartet beelden of gedachten bij onszelf opkomen of kunnen worden opgeroepen. De verinnerlijking slaagde bij mij bij het eerste en tweede deel van het zgn. Harfen-strijkkwartet (opus 74) van Ludwig van Beethoven. Het ‘poco adagio’, lyrische akkoorden, pizzicato’s als van een harp, één geluid van vier instrumenten. Nog meer bij het rustige en droevige ‘adagio ma non troppo’. Mijn fantasie ging op de loop in het derde, overlopend in het vierde deel (presto; allegretto con variazioni). Na ritmische, stormachtige uitingen van ongeluksgevoel komt er bij Beethoven een dankbaar gevoel van berusting.

Het tweede deel van dit strijkkwartet van Beethoven is volgens mij een prachtig specimen om contrapuntisch te leren luisteren naar kamermuziek. Ik zie al conservatoriumstudenten op de eerste rij zitten, met de partituur (het notenbeeld) op hun IPad en voelbaar betrokken op de vier musici vóór hen. Kamermuziek: niet alleen onderscheidend leren luisteren naar de inbreng van de instrumenten, maar tegelijk ook onderscheidend kijken naar de inzet van de individuele musicus: dat kan niet bij een groot orkest.

De eerste violist (de primarius) James Ehnes (Canadees, nu wonend in Florida) is een promotor van de kamermuziek van Bela Bartók. Nu werd het kleine en compacte derde strijkkwartet (1927) gespeeld, vier doorlopende korte delen. Onwaarschijnlijk hoge, ijle, kosmische klanken, een melodie die almaar doorklinkt en door elkaar wordt overgenomen. De compositie is niet doorzichtig, klinkt wat onwennig, maar heeft er recht op van ons extra aandacht te krijgen, evenals de kunst in het algemeen van de eerste helft van de vorige eeuw. Enige kennis van muziek kan het genieten verdiepen, maar bij dit stuk kom ik niet verder dan verwondering, ook bewondering, namelijk voor de grote precisie van het spelen zelf. En voor de eigen vertaling door Bartok van wat in zijn geheugen aan Hongaarse volksmuziek is opgeslagen.

De meditatie over een oude Tsjechische Hymne (St. Wenceslas’, op. 35a, 1914) van Josef Suk bracht ons na de pauze bijna zeven minuten in een plechtige stemming. De hymne klonk sonoor, romantisch. Thijs Bonger schreef in de flyer, hoeveel waarde het Tsjechische volk hechtte aan deze muziek: het bad God om vrede. De invloed van zijn leermeester en vriend Dvorak is goed te horen.

Ten slotte stond het Strijkkwartet in F van de dan 28-jarige Maurice Ravel anno 1903 op het programma. Ieder van de vier delen had zijn eigen karakter en charme. Mooi, gepassioneerd, neurotisch, satirisch, allerlei stemmingen komen naar voren. Het Allegro moderato (très doux) is dromerig-meeslepend. De hoge, steeds terugkerende melodie van de viool werd door anderen overgenomen. Het tweede deel, Assez vif, très rythmé, is het meest bekend, heel ritmisch, kittelende pizzicato’s, en dan een mooi langzaam middendeel, en daarna herhaling van het thema, maar dan aangenaam anders. Het derde deel, Trés lent, meditatief (een prachtige altviool en cello!) krijgt een plaats in mijn persoonlijk reflectief muziekarchief: ik zat voor me uit te staren. Het vierde en laatste deel, Vif et agité: mooi dat dat ook zacht en gedragen vertolkt kan worden, fijnzinnig met, ondanks de doorklinkende onrust, niet te grote uithalen naar forte.

Ik had zo graag het idioom van Ravel willen naproeven, maar er kwam een toegift, de Italiaanse Serenade van Hugo Wolf: de leden van het Ehnes String Quartet toonden hier nog eens hun ‘pleasure of music’.

Paul Overmeer