Trio Shaham Erez Wallfisch

Woensdag 19 november 2014

NELSON GOERNER

Goerner laat de luisteraar genieten van elk moment

De in Argentinië geboren pianist Nelson Goerner mocht vorig seizoen voor het eerst zijn opwachting maken in de serie Meesterpianisten in de grote zaal van het Concertgebouw in Amsterdam. Hij verving daar de door de wol geverfde Braziliaan Nelson Freire, die door ziekte verstek moest laten gaan. De 45-jarige Goerner wist zich in de jaren tachtig al in de kijker te spelen bij zijn beroemde landgenote Martha Argerich, die hem in Genève bij de Italiaanse Maria Tipo introduceerde alwaar hij zijn studies afrondde. Deze zet betekende de opmaat voor de internationale concertcarrière van Goerner, die inmiddels concerten heeft gegeven in de meest prestigieuze zalen van Europa. Opmerkelijk daarbij is dat hij ook met Argerich als duopartner het podium betrad. Argerich verwierf eerder namelijk grote bekendheid met Freire als duopartner. De lijntjes tussen de drie warmbloedige pianisten blijken dus kort. Dat het debuut van Goerner in Amsterdam echter geen sterk staaltje Latijns-Amerikaans nepotisme was, bleek toen het publiek na het succesvolle concert de pianist pas na drie toegiften naar huis liet gaan en Riaskoff besloot om Goerner ook het openingsconcert te laten verzorgen van het huidige seizoen van zijn Meesterpianisten-serie. Dit concert heeft alweer ruim een maand geleden plaatsgevonden en vormde de start van een volwaardige tournee van Goerner door Nederland, waarbij hij nu ook voor het eerst de Concertzaal in Tilburg aandoet.

Nog voordat de eerste noten van de Mozart-sonate in Es, K282 klinken, valt Goerner al op door zijn kleine verschijning en de gebochelde manier waarop hij achter het klavier plaatsneemt. Meteen vallen de door anderen al eerder gemaakte vergelijkingen met een monnik die in een scriptorium gebogen over een heilige tekst in alle ascese de meest gedetailleerde kopieën probeert te vervaardigen op hun plaats. Deze vergelijkingen doen Goerner echter niet volledig recht, want al in het langzame openingsdeel blijkt dat de verzorgde perfectie die hij ten toon spreidt allesbehalve klinkt als slechts een detaillistische kopie van Mozarts notentekst. Goerner houdt zich weliswaar aan de tekst en de stijlkenmerken, met onder andere korte fraseringen en trillers die beginnen op de bovensecunde, maar weet de muziek met zijn oprechte en smaakvolle nuances in timing persoonlijk te maken. Goerner treft een zalige balans van een correcte uitvoering met een diepgevoelde muzikaliteit. Ook zijn warme en ontspannen toon, die hij tot aan het afsluitende Allegro weet vol te houden, draagt bij aan het overstijgen van het intellectuele monnikenwerk dat er in het studieproces ongetwijfeld aan vooraf is gegaan. Het laat voor de luisteraar werkelijk niets te wensen over.

Tussen de subtiele gebaren en contrasten in de meer objectieve compositiestijl van de lieflijke en soms lichtvoetige Mozart en de extreme uitersten in de hoogstpersoonlijke stijl van de emotioneel getroebleerde Schumann zit een wereld van verschil. Goerner weet dit maar al te goed en maakt gelukkig de gewenste cesuur in zijn optreden door het podium even te verlaten voordat hij aan het eerste deel van de omvangrijke Kreisleriana begint. Als hij weer verschijnt lijkt het of een ander mens het podium betreedt. Waar Goerner nog lang wachtte voordat hij de Mozart inzette, eerst minutieus het klavier inspecterend, begint hij nu vrijwel direct aan de onstuimige openingspassage van de Schumann. De niet zuiver getroffen eerste topnoot van de opening verraadt daarbij het risico dat hij nam om het karakter van het stuk neer te zetten, een gebaar dat overigens alleen maar bewonderd kan worden. Goerner blijft het hele stuk zijn best doen om het volledige emotionele palet uit het stuk over te brengen als ware het zijn eigen zielenroerselen van het moment zelf. Daarbij schemert toch zijn ware persoonlijkheid door. De pianistisch verzorgde, zangerige en soms dromerige Goerner is zelf eerder Eusebius dan Florestan en daardoor maken vooral de langzamere delen indruk. Het laatste deel is zo intens en beeldend gespeeld dat het zelfs even moeite kost voor de luisteraar om de klankwereld weer te verlaten om zich snel naar de foyer te begeven voor het pauzedrankje. Echter in de forte-passages, met name in het eerste en zevende deel, was een helderdere polyfonie door minder pedaalgebruik en meer aandacht voor de tegenstemmen in de bas mogelijk geweest. Goerner laat de luisteraar genieten van elk moment door zijn afgeronde spel en lijkt geen plompe of korzelige toon te kunnen scheppen, terwijl de muziek dat soms wel kan vereisen.

Na de pauze werd het Tilburgse concertpubliek getrakteerd op de volledige préludes opus 28 van Chopin. Wederom een groot contrast met het voorgaande programma-onderdeel, want ondanks het feit dat Schumann en Chopin beiden exponenten van de Romantiek zijn verschilden ze persoonlijk en compositorisch ontzettend. Chopin kon Schumann en diens werk nauwelijks waarderen, en toen Schumann zijn Kreisleriana aan Chopin opdroeg had Chopin naar het schijnt alleen iets positiefs te melden over het ontwerp van de titelpagina. Schumann daarentegen erkende Chopins kwaliteiten wel. De eerste keer dat hij Chopin hoorde spelen zijn van hem opgetekend de beroemd geworden woorden ‘Hoeden af, heren, een genie!’. Schumanns oordeel over Chopins préludes was dat het ‘vreemde’ stukken zijn, ‘schetsen, aanzetten tot études, of beter gezegd ruïnes’. De cyclus is een revolutionaire en hoogst originele verzameling stukken gebleken, die de prélude als compositievorm een volkomen nieuwe inhoud gaf. Het vereist een zeer complete pianist om deze cyclus als geheel overtuigend neer te zetten, omdat ze muzikaal en technisch op sommige momenten tot het uiterste gaat. Goerner bewees in Tilburg met zijn vertolking dat hij deze complete pianist is en vond in de stukken de ruimte om alle facetten van zijn pianistiek ten toon te spreiden. De zestiende en negentiende prélude getuigden van een ongelooflijk technisch meesterschap, terwijl Goerners zangerigheid en het kleurenpalet met name in de dertiende prélude prachtig tot haar recht kwam. Bij de eerste, twintigste en eenentwintigste prélude koos Goerner wel een tamelijk snel tempo, waardoor voorbij gegaan dreigde te worden aan harmonische nuances en polyfone elementen. Wat verder in het algemeen opviel is de vrijheid die Goerner nam in sommige ritmische motiefjes in de discant. Zo maakte hij elke voorslag in de melodielijnen erg lang.

De terechte staande ovatie na de vierentwintigste en laatste prélude leverde een veelzeggende toegift op, namelijk de vierde prélude van Debussy (‘Les sons et les parfums tournent dans l’air du soir’). In dit stuk was hoorbaar dat Goerner zich in de kleurrijke en dromerige wereld van Debussy werkelijk thuis voelt, daar getuigde de prachtige en zeer rustig en ontspannen getimede uitvoering onmiskenbaar van. Niet vreemd dat het publiek van dit authentieke meesterschap geen genoeg kon krijgen en nog een tweede toegift afdwong. Verrassend genoeg koos Goerner voor één van de technisch meest veeleisende bewerkingen uit de pianoliteratuur: de pianobewerking van Schulz-Evler van de ‘An der schönen blaue Donau’ van Johann Strauss. Een parafrase die bekend geworden is door de legendarische Josef Lhévinne, een oude meester uit het begin van de vorige eeuw. Goerner bewees door zijn onopgesmukte uitvoering paradoxaal genoeg juist met dit showstuk dat hij als musicus met één been in de oude pianotraditie van oprechte zeggingskracht staat, en met het andere been in de nieuwe stroming van mechanische perfectie en foutloze uitvoeringen. Een ontzettend boeiende combinatie die de avond tot een zeer memorabele maakte en doet hopen dat Goerner ons land volgend seizoen weer aandoet.

Wouter Smits