CONCERTGEBOUW KAMERORKEST AMSTERDAM

dinsdag 3 maart 2015

SCHUBERT ENSEMBLE OF LONDON

Het beroemde London Ensemble of London kwam naar ons toe: een vijftal musici met een groot repertoire, vele cd’s, en 50 concerten per jaar, warempel in Tilburg. William Howard (piano), Jane Salmon (cello), Douglas Paterson (altviool) en Peter Buckoke (contrabas), en de violist Simon Blendis moest verstek laten gaan: hij brak in Engeland een arm: Wouter Vossen verving hem voortreffelijk! De menukaart? Een pianokwartet van Mozart, en twee pianokwintetten: Hummel en Schubert.

Steeds is er de overduidelijke rol van de pianist. Begeleiden de strijkers hem, of is er sprake van een samenspraak? Vederlicht en virtuoos gingen de vingers van William Howard over het toetsenbord, en vaak keek hij daarbij naar de strijkers om de balans perfect te doen zijn. In de pianokwintetten van Hummel en Schubert versterkte de inbreng van de contrabas het karakter van een concertante, de wedijver tussen pianist en strijkers.

Eerst hoorden we het Pianokwintet in Es, op. 87 (wsch. 1802), van Johann Nepomuk Hummel, een vergeten componist. Thijs Bonger vertelt over deze componist op www.concertzender.nl, en Henri van der Steen zette Hummel in het zonnetje in het Brabants Dagblad van 26 februari jl.. Hummel staat voor speelplezier, vooral op de piano. Als leerling van Mozart weet hij, dat muziek ons in een goed humeur kan brengen: divertimento! Hummel maakt waar, wat we bij kamermuziek verwachten: genieten van muzikale taal en verhaal, van compositorische vindingrijkheid, van de manier waarop je als luisteraar wordt toegeleid naar de eindfrase van ieder deel van het muziekstuk. Het allegro krachtig en speels, het menuet ongecompliceerd en tot een wervelende dans uitnodigend, het korte largo met de prachtige tonen op de piano, en dan de finale, zangerig en pittig.

Hierna volgde het Pianokwartet in G mineur van Mozart (opus 478, 1784), een van zijn meest persoonlijke werken. Maarten ’t Hart zegt, dat je Mozarts opera’s moet kennen, om zijn andere muziek goed te kunnen uitvoeren en beluisteren. Het Allegro is zwaarmoedig, het Andante is innig en licht en werd wonderschoon en ingetogen gespeeld, en dan schudt Mozart in de Rondo-Finale kennelijk alle narigheid van zich af, en zo bijna routineus doorgaand, dat je als luisteraar denkt: zoek nou maar een afronding, het is je gegund. Ik heb meer waardering voor de transparante, vertellende, zangerige dan voor de dartele Mozart.

Na de pauze werd het Forellenkwintet in A (D 667) van Schubert gespeeld. Dit werk bracht indertijd de vijf musici bij elkaar. De kwintet krijgt summa cum laude, vanaf de muziektheorici in de 19e eeuw tot vandaag. Het uitvoeren van het overbekende kwintet geeft een feest van herkenning. Ieder deel heeft zijn eigen melodie: thuis zou je mee gaan zingen. Terwijl het gezang van zonnige levensvreugde blijft stromen, kun je letten op de rijkdom aan modulaties (de overgangen van de ene toonsoort in de andere) en op de inbreng van de afzonderlijke instrumenten, met name de altviool (vooral in het eerste deel). Na het allegro, het andante en het scherzo komt dan het Andante, waarin het lied Die Forelle in zes variaties wordt uitgevoerd. Tot slot een finale met puntige ritmes (allegro giusto): je proeft de ‘wienerische’ gezelligheid, waar Schubert zo van hield, terwijl we weten hoe gedeprimeerd hij toen (1825) was.

Isabelle van Keulen zei laatst in de NRC, dat het begrijpelijk is dat vooral ouderen genieten van kamermuziek, omdat stilte een kans krijgt en omdat concentratie dertig minuten of langer moet worden opgebracht, en dan in een zaal, die groter is dan waarin oorspronkelijk kamermuziek werd gespeeld. Maar dit Schubert Ensemble is dermate van hoog niveau, dat je alles op alles zette om te luisteren. De drie stukken van dit concert hadden zoveel spirit, en waren zo vrolijk, melodieus, dansend, dat ook jongeren er echt van genoten zouden hebben. We gingen opgewekt huiswaarts. Het Schubert Ensemble reikte verder dan de oren, het leverde een ‘bodily experience’ op.

Paul Overmeer