Quatuor Diotima

Woensdag 2 maart 2016

SCHUMANN QUARTETT & ELLA VAN POUCKE

Als liefhebber van vergelijkende discografie vind ik het fijn, dat in de concertzaal o.a. twee bekende kwartetten (Schumann, Schubert) worden uitgevoerd. Schoonheidservaring verdiept zich immers bij herhaald luisteren, en je kunt je openstellen voor de interpretatie. Daniel Gatti, binnenkort de hoofddirigent van het KCO, zegt in de NRC van 25 febr. J.l.: “zie de componist als architect van de muziek: de componist heeft een interpreet nodig voor de ziel van het gebouw.” De leden van het kwartet lezen samen de partituur en gaan daarover met elkaar in discussie. Ze moeten het met elkaar eens worden, zie het samenspel in de boeiende film ‘A late Quartet’ (2012).

Het jonge kwartet van vanavond is niet genoemd naar ons aller Robert Schumann, maar naar de naam van drie van de vier musici: naast de altvioliste Lisa Randalu (Letland) zijn dat de broers Erik, Ken en Mark Schumann (Duitsland). Het ligt voor de hand, dat Robert Schumann op het repertoire staat.

In het strijkkwartet op. 41 nr. 1 in a-klein (ca. 26 min.) komt Robert Schumann, gespecialiseerd in pianomuziek en liederen, na vier lange jaren studie van de strijkkwartetten van Beethoven in 1842 tot dit eerste strijkkwartet: hij toont zijn originaliteit op het gebied van harmoniek, melodiek, vorm, en dat gaat gepaard met een unieke poëtische benadering. De stevige compositie vergt veel van de musici. De typisch ritmische structuur mag niet verhinderen, dat de melancholieke, lyrische muziek goed tot uiting komt. Dat blijkt al meteen bij de langzame Introduzione (andante espressivo): vriendelijke, polyphone melodiebewegingen. Het Scherzo begint met een presto in felle, golvende trillingen, met een paar ‘paukslagen’ in het begin. In een kort intermezzo komt de muziek in rustiger vaarwater, met markante momenten voor de cello, om dan weer presto te eindigen. In het lyrische derde deel, Adagio in F, laten de violen en de cello horen, wat voor een ongelooflijk romantische liederencomponist Schumann is. Ook al trekt de cello alle aandacht, de drie violen hebben een gelijkwaardige inbreng. In het slotdeel (Presto – moderato) keren gebruikte thema’s terug, met soms octaven, en langgerekte, heel zachte akkoorden; de ritmiek is verrassend.

In de uitvoering van Fünf Sätze für Streichquartett op. 5 van Anton von Webern (1909) toont het kwartet een absolute, ingehouden concentratie. Als Gatti zegt: “ik zie alle muziek als een verhaal, dat verteld moet worden”, dan gaat dat niet op voor dit stuk van Webern: zo kort zijn de vijf fragmenten en zozeer is Webern als leerling van Schönberg geconcentreerd op mogelijkheden van atonale muziek, op uiterste beknoptheid, op uiterste expressie; nergens herhalingen. Zijn muziek, zegt Ton de Leeuw, is de weergave van een levenslange innerlijke monoloog. Niets wordt de hoorder cadeau gedaan. De luisteraar moet zelf alles doen om in deze gesloten ascetische, pure wereld door te dringen. Iedere noot, ieder akkoord moet op zich worden beluisterd. Je kunt je voorstellen, hoe de musici bij hun studie getuurd hebben naar het notenbeeld (zie youtube)! Je hoort de stilte, de heel zachte streken van de instrumenten: een gehoortest van ruim twaalf minuten, die iemand naar een winkel van ‘beter horen’ kan verwijzen. (Koop toch maar een abonnement voor het volgend seizoen!) Webern vergt een aparte luisterhouding; hij eist opperste concentratie. Er komt iets tot uitdrukking, dat alleen door muziek kan geschieden. Na afloop viel de zaal bijna een minuut stil, en toen kwam er langdurig applaus.

Na de pauze horen we het Strijkkwintet in C-groot van Franz Schubert (D 956, opus postuum 163) (50 min.): de Nederlandse celliste Ella van Poucke voegt zich bij de groep.

Feest van herkenning! Het gaat hier om een meesterwerk. Schubert schreef het kwintet in de zomer van 1828. Hij beseft dat zijn levenseinde nadert. Ook als je niet op de hoogte bent van dit biografisch gegeven, ervaar je zijn onrust, zijn wanhoop, zijn gevoel van uitzichtloosheid, maar ook zijn verlangen naar vitaliteit. Schubert heeft toen gezegd, dat hij schoonheid te voorschijn wil blijven brengen, wil blijven zingen in de muziek. Hij koos in dit kwintet voor twee cello’s in plaats van 2 violen, 2 altviolen en cello. Door de keuze van Schubert wordt de klank in de lage registers meer sonoor; de klankkleur wordt donkerder. Het openingsdeel, Allegro ma non troppo, is in de sonatevorm geschreven. Het neemt qua tijdsduur meer dan een derde van de totale compositie in beslag. De stemming is opgewekt, strijdbaar. Het tweede deel, Adagio (behorende tot de top-tien bij kamermuziekliefhebbers), is in driedelige vorm (ABA) geschreven, waarbij de hoekdelen in E-majeur staan en in zeer rustig tempo geschreven zijn. Het contrastrerende middengedeelte (B) staat echter in f-mineur. Zodra het A-gedeelte in E-majeur terugkeert speelt de tweede cello een passage in 32-en, die lijkt te zijn ingegeven door de turbulentie van het net beëindigde B-gedeelte. In de laatste drie maten van dit tweede deel probeert Schubert de twee ver verwijderde toonsoorten f-mineur (met 4 mollen) en E-majeur (met 3 kruizen) nog even bij elkaar te brengen middels briljante modulaties. Het Adagio is een treuren over de eindigheid van zijn leven, soms zijn er protesterende passages. Je luistert met ingehouden adem. Het derde deel, het scherzo, is symfonisch en groots van opzet: de lage instrumenten worden vernieuwend gebruikt, op een wijze die een zeer groot volume genereren. Het middendeel (Trio) is een zeer trage mars, die een schaduw vooruit lijkt te werpen op de klankwereld van Gustav Mahler. Er is wel eens gezegd, dat in de kamermuziekliteratuur dit scherzo het meest je in de de stemming van het requiem brengt. Dat geldt voor het andante sostenuto: zo droevig; maar daarvoor en daarna hoorde ik een opleving van levensenergie. Het laatste deel, Allegretto, lijkt wel een adviserend testament: mensen, geniet van het leven: een combinatie van uitbundige Hongaarse en met Weense klanken. “Concerten zijn een soort spirituele maaltijden zijn” (Gatti): dat was deze avond zeker zo. In strijkkwartetten kunnen componisten, zo vinden ze zelf, niet alleen hun optimale vakbekwaamheid tonen, maar daarin ook hun hele ziel en zaligheid leggen. En wij mochten daarvan getuige zijn: dank aan de musici!

Paul Overmeer