Severin von Eckhardstein & Friends

Dinsdag 23 oktober 2012

SEVERIN VON ECKHARDSTEIN & FRIENDS

Het is een zegen, als een groot virtuoos als Severin von Eckardstein ook de intimiteit van de kamermuziek opzoekt en met een klein gezelschap gelijkgestemden de Spielfreude en het genot van het samenspelen laat zien. Dat was Dinsdagavond 23 oktober het geval. Het is voor amateurs fascinerend te zien hoe de verschillende betrokkenen elkaar de kans geven, elkaar uitlokken en ondersteunen in het maken van de muziek waar van ze houden. De klankkleuren die dan kunnen ontstaan en de patronen die vorm krijgen zijn uniek voor kamermuziek. Het gaat niet om evenwicht tussen partijen als in een orkest, maar om de gecreëerde samenklanken, het subtiele vraag en antwoordspel en specifieke kwaliteiten van de individuele spelers.

Brahms klarinettrio’s zijn late werken, ze bouwen voort op eerdere composities en lijken ook op bewerkingen van eerdere stukken. De originaliteit van de trio’s wordt niet in twijfel getrokken, maar de herkenbaarheid van Brahms muziek is groot. Voor tenminste twee van de drie spelers hangt het succes van de uitvoering af hoe mooi en welluidend zij een pianissimo kunnen spelen. En dat konden ze: von Eckardstein was steeds goed hoorbaar en toch uiterst zacht en subtiel en klarinettist Sebastian Manz kan een inzet zo zacht en subtiel maken dat je om je heen gaat zoeken naar de bron van het zoete geluid. Vooral in het laatste deel, dat veel verwantschap vertoont met de Liebeslieder Walzer, leidt dat tot prachtige zoet gevooisde muziek.

Voor de Kammersinfonie van Arnold Schoenberg, oorspronkelijk voor tien blazers en vijf strijkers, hier gespeeld in de bewerking van Anton Webern, werd het gezelschap, aangevuld met cellist Danjulo Ishizaka, met violiste Franzika Hölscher en fluitist Aldo Baerten, tot een kwintet. Deze muziek van Schoenberg is laat expressionistisch, en buitengewoon spannend: er gebeurt van alles. Thema’s duiken op en worden door anderen aangepast en uitgebreid en opnieuw bewerkt. Er is niet een speler die deze symfonie dirigeert; het lijkt wel of elke speler een eigen thema maakt en anderen uitnodigt daar ook iets mee te doen. De spelers zitten in de kwintetopstelling op het podium: ze kijken elkaar aan, geven tekens, gebruiken onverwachte akkoorden en dagen elkaar uit tot nauwelijks voorspelbare combinaties. De combinatie van instrumenten, de bewerking en de overvloed aan muzikaal materiaal, en de rijke fantasie van de componist, maken dit stuk tot een feest voor een kamermuziekgezelschap.

Hummels bewerking van Mozarts pianoconcert in c kl, voor piano, viool, cello en fluit, is kamermuziek waarin het aankomt op het scheppen van een geheel nieuw klankbeeld voor een erg bekend stuk uit het Mozartrepertoire. De oorspronkelijke bezetting telt minstens zes verschillende blaasinstrumenten, naast strijkers en slagwerk, naast een aanzienlijke solopartij voor de piano. Aan de pianist wordt in deze bewerking een nogal extreme eis gesteld: als in de partituur ‘’tutti’’ staat, krijgt de pianist een zwaar aangezette partij voorgeschoteld, en dat strookt niet goed met kamermuziek. Von Eckardstein bracht het er goed van af, maar zijn toevoeging van uitgebreide cadensen droeg niet bij aan het kamermuziekkarakter. Misschien had Hummel voor Mozarts pianopartij een separaat instrument kunnen invoegen. De kamermuziek kreeg zijn deel in het larghetto; mooi in een grote lange melodische lijn gespeeld.

Pieter Kop