Ishay Shaer

Donderdag 12 november 2015

TRIO CHAUSSON

Opmerking vooraf: het programma was gewijzigd. Schubert's Notturno werd vervangen door Haydn Hob.1527, terwijl de volgorde na de pauze was omgegooid: zeker na de pauze een verbetering, maar toch een tikkeltje slordig!

Paradoxaal genoeg kun je stellen dat Haydn te veel trio's geschreven heeft waardoor de waardering voor de afzonderlijke trio's ten onrechte achterblijft. Dat gold ook voor Hob 1527. Op en top Haydn: herkenbaar muzikaal idioom, mooie thematische uitwerking, echte kamermuziek. En dit werd hier helder en gefraseerd gespeeld. En met de natuurlijkheid en onnadrukkelijkheid die bij Haydn's kamermuziek past." Musikfreude" die voor zich zelf spreekt en geen nadrukkelijk pleidooi nodig heeft.

Beethovens Geistertrio was vanaf de eerste noot echt Beethoven: energetisch, krachtig, hier en daar symfonisch (hoorde ik flarden Leonora?). Dit is geen vrijblijvendheid maar boodschappen en "zending". Eigenlijk is een trio-bezetting te klein voor Beethoven: soms roept het om bredere instrumentatie en uitwerking. Een voorbeeld was het Largo Niet zomaar een tussendeel, maar bijna een autonoom stuk, breed gedragen en uitgewerkt, vol expressieve momenten en tegenstellingen. Hier prachtig en vol-uit gespeeld. Het Franse Chausson-trio kan dit oer-duitse werk uitstekend aan en speelde vol overgave.

Terecht ging Chausson (opus 3) na de pauze vooraf aan Ravel. Zeker in het eerste deel kwamen Caesar Franck en Gabriel Fauré voorbij. Het was meer Frans dan Chausson wat je hoorde: lyrisch, mooi, lange lijnen,met een prachtig instrumentaal evenwicht. In het "assez lente" klonk een prachtige, door de cello gedragen elegie. Muziek die je "bij" blijft. Waar zit toch het geheim van de echte franse kamermuziek in? Lyriek, eigenzinnige maatvoering, veel mineur, contrastrijke instrumentatie: het hoor er allemaal bij. Maar de naamgever van dit Trio kreeg hier een overtuigende uitvoering.

Ravel werd wat het moest zijn: de onbetwiste climax. In een prachtige bewerking door de pianist Boris de Larochelambert voerde dit werk van een aarzelende inleiding uiteindelijk tot het wervelende hoogtepunt van de finale. Deze bewerking deed recht aan zowel de opzwepende en decadente notenkolk van het fin de siècle, als aan de lichtvoetigheid van de weense wals. De beide strijkers vertolkten het melodisch materiaal van deze bewerking, terwijl de pianist hoorbaar de zware orkestpartij voor zijn rekening nam. Maar de bewerking was schitterend en het Chaussontrio bewees hier zijn fenomenale solistische en instrumentale mogelijkheden.

Het geheel werd besloten met een bewerking (door de pianist!) van de Roemeense volksdansen van Bela Bartok.

Een prachtige avond!

Gery van Veldhoven